Building Conversation Amsterdam Oost

c: Devanté Notopawiro

Bij Building Conversation merk je hoe je de ander nodig hebt om tot nieuwe inzichten te komen en hoe sterk je eigen overtuigingen zijn. Dit inzicht is de bron van maatschappelijke cohesie volgens mij.

Building Conversation geeft handvatten om met elkaar in gesprek te gaan en te blijven, ook als je een heel andere mening hebt. Indrukwekkend hoe je bijvoorbeeld samen een ander beeld van de toekomst kunt maken. Het geeft hoop, verbindt mensen.

Wat Building Conversation doet? Het zorgt ervoor dat je je heel anders tot elkaar gaat verhouden. Het is een soort oefening in mens-zijn.

Ik kon meer in mijn eigen kracht gaan staan. Ook omdat ik veel meer plezier had gekregen in het (politieke) converseren. In plaats van mijn mening tegenover een andere mening te moeten stellen, begon ik het steeds meer te zien als een proces van samen reflecteren en daarin onderzoeken.

De grote waarde is dat mensen die eigenlijk nooit met elkaar praten, samengebracht worden om met elkaar in gesprek te gaan. Mensen gaan hele gevoelige discussies aan die normaal niet op straat gevoerd worden; discussies die je alleen in de media ziet. Bij Building Conversation zie je toch een dialoog ontstaan. Het zijn veel constructievere dialogen dan ik in mijn omgeving zie, waar mensen teruggetrokken zijn in hun eigen gemeenschap en het eens met elkaar zijn.

Building Conversation geeft handvatten om met elkaar in gesprek te gaan en te blijven, ook als je een hele andere mening hebt. Bij de gesprekken rondom het witte vlak op straat zie je echt heel verschillende mensen deelnemen. Samen kom je tot een beeld waarbij wordt gedacht: hoe gaan we dit aanvliegen of hoe kijken we hiernaar? Ik vind het indrukwekkend om te zien dat je dan gezamenlijk een ander beeld van de toekomst kunt maken. Het geeft hoop, het verbindt mensen.

Wat oogcontact met je doet, hoe we het inzetten en ervaren

90 procent van onze communicatie is non-verbaal. We zeggen dus bijna alles met ons lichaam en niet zozeer met de woorden die we spreken. Non-verbale communicatie vindt constant plaats, in tegenstelling tot een verbaal gesprek waarin je kunt pauzeren. Woorden kun je kiezen, inslikken of spuien, maar lichaamstaal is moeilijk te controleren en vindt bijna altijd onbewust plaats. Wanneer iemand iets zegt wat niet overeenkomt met wat het lichaam laat zien, dan wegen de non-verbale signalen zwaarder bij het interpreteren van de boodschap. Met woorden kun je van alles verkondigen, maar een lichaam liegt (bijna) nooit.

Met Building Conversation geven we aandacht aan de manier waarop we ‘spreken’, aan de manier waarop we in contact treden met de mensen om ons heen. Geïnspireerd op rituelen uit heel de wereld en op het gedachtengoed van verschillende filosofen organiseren we een programma van gesprekken. Eén van de gesprekken is het Gesprek zonder woorden. Hierin richten we ons op dat deel van het gesprek dat normaal grotendeels langs ons heen lijkt te gaan. Het is zoals de naam zegt; een gesprek zonder woorden. We praten niet, maar kijken naar elkaar en worden bekeken. Wat zien we als we de ander bekijken, wat projecteren we op elkaar en wat communiceren we zelf?

Verscheidenheid aan reacties
Als host van Building Conversation ontvang ik de deelnemers voordat ze het gesprek ingaan en als ze na deelname het gesprek weer uitkomen. Het valt mij op dat de deelnemers als wildvreemden het gesprek ingaan en er uitkomen alsof ze elkaar in korte tijd goed hebben leren kennen. Ik raakte gefascineerd door de verschillende reacties op het Gesprek zonder woorden en besloot de academische literatuur in te duiken en uit te zoeken wat er gebeurt als mensen elkaar aankijken. In dit artikel verbind ik ervaringen van deelnemers met wetenschappelijke literatuur over oogcontact. Wat opvalt is juist de verscheidenheid aan reacties op het aankijken van elkaar. De één vindt het doodeng en ongemakkelijk, terwijl de ander verwondering, genegenheid en soms zelfs liefde op het eerste gezicht ervaart. Mensen moeten lachen, huilen of voelen helemaal niets. Hoe zit dat eigenlijk met oogcontact? Wat communiceren we, wisselen we uit en hoe interpreteren we dat?

Vanaf onze geboorte zijn we al gevoelig voor oogcontact. De Italiaanse onderzoeker Teresa Farroni ontdekte dat baby’s twee dagen na hun geboorte al verhoogde hersenactiviteit krijgen bij het zien van foto’s van mensen die hen recht aankijken. Sterker nog; het hebben van oogcontact is voor baby’s essentieel voor het ontwikkelen van sociale vaardigheden en empathisch vermogen op latere leeftijd. Onderzoekers van de universiteit van Cambridge ontdekten dat de hartslag, emoties en breinactiviteit van baby’s en hun ouders synchroon gaan lopen wanneer zij langdurig oogcontact met elkaar hebben. Volgens de onderzoekers komt dit omdat zowel ouder als kind dezelfde intentie hebben, namelijk: de wil om met elkaar te communiceren.

The eye contact effect
De ogen zijn een bron van informatie. Via de ogen kunnen we zowel boodschappen zenden als ontvangen en maken we contact met elkaar. Door iemand in de ogen te kijken, proberen we erachter te komen wat de ander denkt en voelt. We voorspellen onbewust wat de ander gaat doen en schatten de intenties van onze gesprekspartner in. Ook zenden we via de ogen onze eigen intenties, gevoelens en emoties naar de ander. Het zenden en ontvangen van informatie via de ogen is dus een wisselwerking en activeert ons sociale brein. Deze activatie van ons brein door oogcontact wordt in de psychologie ook wel the eye contact effect genoemd.

Hoewel oogcontact een belangrijk onderdeel is van onze omgang en communicatie met elkaar, is oogcontact voor veel mensen spannend, ongemakkelijk en soms zelfs confronterend. Hoe mensen reageren op oogcontact hangt af van onder meer persoonlijkheid, culturele achtergrond, gender en omgeving. Zo is oogcontact aan het begin van het Gesprek zonder woorden voor veel mensen wat ongemakkelijk. Voor sommigen blijft dit het hele gesprek zo, bij anderen verdwijnt dit gevoel. We zijn het namelijk niet gewend om vreemden voor lange tijd in de ogen te kijken. Daarnaast is oogcontact in veel culturen een taboe. In veel Aziatische en Afrikaanse landen is oogcontact maken met mensen die ouder zijn dan jij respectloos. Daarom wenden mensen hun blik af als teken van respect.

Een deelnemer vertelt:

“Als ik in Egypte met een collega op de universiteit praatte, dan keek ik niet naar haar ogen. Ook als ik praat met iemand die ouder is, kijk ik niet naar de ogen. Dat heeft met respect te maken. Tijdens het Gesprek zonder woorden kon ik iedereen in de ogen kijken. Dat was nieuw.”

Ongemakkelijk
In alledaagse sociale interactie kijken we elkaar zelden langer dan een paar seconden recht in de ogen. Wanneer je iemand langer dan drie seconden aankijkt, bezorg je de ander al snel een ongemakkelijk gevoel. Dit heeft verschillende redenen. Eén van de redenen is dat oogcontact bedreigend kan overkomen. Dieren vatten oogcontact bijvoorbeeld op als een teken van dreiging en potentieel gevaar. Apen reageren vaak agressief als iemand hen te lang in de ogen kijkt. Ook voor mensen kan oogcontact bedreigend aanvoelen. Mensen vragen zich af wat er mis is na een onafgewende blik.

Normaal gesproken veranderen we vaak van kijkrichting. Een onafgewende blik is vooral bedreigend door de functie van onze oogbewegingen. Normaal verandert onze kijkrichting een paar keer per seconde om informatie uit onze omgeving in ons op te nemen. Als iemand je opeens opvallend lang aankijkt, kan dat voor sommigen beangstigend aanvoelen. Een blik op iemand werpen, is aandacht geven aan die persoon. Als je iemand langer dan een paar seconden in de ogen kijkt, kan dat voelen alsof iemand ongevraagd je persoonlijke ruimte binnendringt. Dat vindt niet iedereen prettig, want aan ogen is veel af te lezen. Ze drukken onze innerlijke beleving uit. Intenties, verlangens, gehoorzaamheid en dominantie kunnen allemaal door de ogen worden gesignaleerd. Daarom kan het zijn dat mensen net als dieren agressief of defensief reageren op oogcontact.

Kwetsbaar
Als je niet wilt dat anderen weten hoe je je voelt, dan zal je oogcontact proberen te vermijden. Omdat onze emoties en gevoelens zichtbaar zijn in onze ogen, kan oogcontact heel kwetsbaar aanvoelen. Door het hebben van oogcontact geef je iemand namelijk toegang tot je innerlijke wereld. Voor sommige deelnemers van het Gesprek zonder woorden is dit zo overweldigend dat ze eerst een tijdje naar de grond staren, een glaasje water inschenken of een tijd met hun ogen dicht op de stoel zitten voordat ze de ogen van anderen opzoeken. Voor veel mensen verdwijnt het ongemakkelijke gevoel naarmate de tijd verstrijkt, voor anderen blijft het ongemak aanwezig.

Een deelnemer vertelt:

“Ik werd er door een mededeelnemer van het Gesprek zonder woorden op gewezen dat ik weinig tot geen oogcontact had. Ik realiseerde me door deze opmerking dat ik niet wilde dat mijn verdriet te zien zou zijn.”

Andere deelnemers geven aan tijdens het Gesprek zonder woorden een verscheidenheid aan reacties, emoties en gevoelens te ervaren. Deze sensaties veranderen tijdens het gesprek, volgen elkaar op en ontstaan vanuit interactie met de andere deelnemers.

Een deelnemer vertelt:

Ik zie de gezichten van de mensen met wie ik woordeloos in gesprek was nog voor me en voel dat ik iets onuitsprekelijks met ze heb gedeeld. Ik heb ervaren hoe het is om je blik op iemand te laten rusten. In het begin van het gesprek lukte dat niet, door de spanning en het ongemak, maar na een tijdje ontspande ik en lukte het rustig iemand aan te kijken en voelde het prettig om gewoon te ‘zijn’. Bij de een ging dat beter dan bij de ander. Bij iemand ervoer ik ook verdriet. Dat maakte veel indruk.”

Het lichamelijk kunnen voelen van andermans emoties door oogcontact is wat meer deelnemers ervaren. Sommigen vinden dit mysterieus en magisch, terwijl het een volkomen natuurlijk en automatisch proces is. Door oogcontact registreren we onbewust de emoties van de ander en nemen deze emotie over. Emoties roepen emoties op. Ze zijn besmettelijk. In de psychologie noemen ze dit in het Engels emotional contagion (Hatfield, 1994) en in het Nederlands emotionele besmetting.

Spiegelen en imiteren
Emotionele besmetting kan tussen twee individuen plaatsvinden, maar ook binnen groepen. Het uitwisselen van emoties versterkt de onderlinge relatie tussen mensen. In het artikel Het ontstaan van collectieve emoties door emotionele besmetting (2009) leggen Agneta Fischer, Job van der Schalk en Skyler Hawk, allen verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, uit hoe emoties zich bijna altijd afspelen in een sociale context en relaties tussen individuen en groepen vormen en breken. Het overnemen van andermans emoties komt doordat we elkaar constant spiegelen en imiteren. Door de imitatie van de gezichtsuitdrukking van onze gesprekspartner vindt een psychologische reactie plaatst die een emotionele reactie oproept.

Om ‘besmet’ te raken, moeten we de emotie van de ander eerst herkennen. Hiervoor kijken we naar het gelaat en specifiek naar de ogen van de ander. De interpretatie van deze emoties is een sociaal constructieproces. Fisher en haar collega’s schrijven dat we emoties van anderen vooral herkennen op basis van onze kennis over hoe emoties geuit worden en de context waarin deze emoties normaal zijn. We construeren de werkelijkheid op basis van wat we weten of verwachten te zien. We herkennen dus niet alleen emoties, maar interpreteren deze emoties vervolgens. Hoewel we er vanuit mogen gaan dat er veel emoties zijn die we overal op de wereld min of meer hetzelfde opvatten, kan er ook sprake zijn van non-verbale miscommunicatie. Een ‘gebrek’ aan oogcontact tijdens een gesprek kan door de ontvanger geïnterpreteerd worden als desinteresse, terwijl de zender eigenlijk verlegen, beschaamd of afgeleid is.

Oproepen van emotionele reacties
De facial feedback hypothese (William James, 1884) stelt dat onze eigen gezichtsbewegingen de emoties die we voelen beïnvloeden. Na het herkennen van de emotie van de ander, imiteren we vervolgens de emotie door de ander te spiegelen. Als iemand naar ons lacht, lachen we automatisch terug. Als iemand fronst, gaan wij ook fronsen. Onze gezichtsspieren die verantwoordelijk zijn voor het laten verschijnen van een lach op ons gezicht, spannen zich automatisch aan. Door de imitatie van de gezichtsuitdrukking, wordt een emotionele reactie opgeroepen. Hoewel we allemaal geneigd zijn om te spiegelen en emoties van anderen te imiteren, zijn mensen met een groot empathisch vermogen hier gevoeliger voor. Zij zullen sneller emoties van anderen overnemen.

In dit licht is het interessant de vraag te stellen of we daadwerkelijk het verdriet van de ander kunnen voelen, of dat het herkennen van andermans verdriet ons eigen verdriet aanraakt en triggert. Dit vroeg de performance kunstenaar Marina Abramovic zich ook af toen zij in 2010 drie maanden lang, zes dagen per week, acht uur per dag bezoekers van het Museum of Modern Art in New York in de ogen keek. De bezoekers van het museum mochten één voor één tegenover haar zitten, zo lang ze zelf wilden. Ze mochten haar aankijken, maar het was niet de bedoeling dat er woorden of aanrakingen uitgewisseld werden. In haar memoires Walk Through Walls (2016) beschrijft Abramovic dat ze extreem ontvankelijk werd door het oogcontact. Ze merkte dat de mensen die tegenover haar zaten, ongelofelijk ontroerd raakten. Mensen waren in tranen en zij zelf ook.

“Je kunt geen kant op, alleen in jezelf”
Abramovic kon de diepe emotionele pijn van de mensen tegenover haar zien en voelen. De reden hiervoor is volgens haar omdat mensen bijna nooit in zichzelf kijken en hun best doen om de confrontatie met zichzelf te vermijden. De situatie in het museum was zo anders dan normaal: ze werden bekeken door het publiek, gefilmd en gefotografeerd en diep in de ogen aangekeken door Abramovic. Ze schrijft hierover: “Je kunt geen kant op, alleen in jezelf en dat is het punt. Mensen hebben veel pijn en we proberen het allemaal weg te drukken.” Door het oogcontact met Abramovic maakten de museumbezoekers niet alleen contact met haar, maar ook met zichzelf. Ze voelden emoties die ze misschien lang hadden weggestopt. Dit betekent dat je door oogcontact niet alleen de emoties van de ander kunt voelen, maar ook dat je door de ogen van de ander gedwongen wordt in jezelf te kijken.

Natuurlijk hebben deelnemers van het Gesprek zonder woorden de vrijheid het oogcontact met andere deelnemers zo lang of kort te houden als ze willen. Omdat het gesprek in een kring gevoerd wordt, kunnen ze zelf kiezen met wie ze oogcontact willen hebben en met wie niet. Dat is spannend, omdat het vragen oproept als: wordt mijn blik beantwoord, of word ik afgewezen? Hoor ik erbij of word ik buitengesloten? Floor van Leeuwen ontwikkelde samen met Lotte van den Berg de vorm en opzet van het Gesprek zonder woorden. Ze deed mee aan vele gesprekken en vertelt dat ze ook wel eens ziet dat deelnemers een kwartier lang gekke bekken naar elkaar trekken. Door de simpele opzet van het gesprek kunnen mensen zelf bepalen op wat voor manier en intensiteit ze een gesprek aangaan. Oogcontact maken is één van de manieren om een Gesprek zonder woorden aan te gaan. Soms blijft het alleen bij het bekijken en beschouwen van elkaar en op andere momenten wordt er actief contact gezocht. Wanneer mensen zich veilig voelen en openstellen voor elkaar kan er zelfs een verandering in de staat van bewustzijn plaatsvinden.

Van Leeuwen heeft hier zelf ook ervaring mee:

“Soms ontstaat er een soort krachtenveld tussen mijn ogen en die van de ander. Op andere momenten lijkt het alsof een gezicht vervormt. Dan lijkt het bijna alsof ik iemands voorouders zie, maar ik denk dat ik dan aan het hallucineren ben.”

Oogcontact vergelijkbaar effect als van ketamine en LSD
De Italiaanse onderzoeker Giovanni Caputo toonde met zijn onderzoek naar oogcontact aan dat tien minuten staren in andermans ogen niet alleen een hallucinerend effect heeft, maar ook dissociatie, een verandering in de perceptie van tijd en ruimte en het waarnemen van gezichtsvervormingen tot gevolg heeft. Voor zijn onderzoek vroeg hij proefpersonen in een slecht verlichte kamer tegenover elkaar te gaan zitten met één meter afstand van elkaar. Wat bleek: na tien minuten oogcontact zag het overgrote deel van de proefpersonen het gezicht van zijn staarpartner vervormen. Sommigen constateerde monsterachtige trekjes of zagen hun eigen gezicht terug in het gezicht van de ander. De proefpersonen beschreven het gevoel los te komen van hun directe omgeving. Het staren had een diepgaand effect op hun visuele perceptie en mentale toestand. De perceptie van tijd en ruimte veranderde en geluiden werden zachter of juist luider. Door het oogcontact veranderde hun staat van bewustzijn en kwamen er in sommige gevallen krachtige emoties los.

Uit het onderzoek van Caputo blijkt dat tien minuten staren in de ogen van een ander gelijksoortige effecten heeft als het gebruik van de drugs ketamine of LSD. De onderzoeker verklaart de vervormingen van het gezicht doordat onze gezichtsherkenning heel gevoelig is. Onze hersenen zijn het niet gewend als de ogen lang naar iets staren en zich fixeren. Omdat je lang naar één object kijkt en je dus lange tijd dezelfde informatie binnenkrijgt, gaat ons visuele systeem zich aanpassen. Onze neuronen vertragen of stoppen hun reacties op onveranderde stimuli waardoor kleine visuele vervormingen ontstaan. De vervormingen worden vooral waargenomen in de randen, schaduwen en contouren van het gezicht, waarna de gezichtsherkenning overcompenseert en je andere gezichten, dieren of monsters ziet. Deze illusies verdwijnen weer als je met je ogen knippert.

Harmonie
Duidelijk is dat oogcontact een krachtig middel kan zijn waarbij je niet alleen jezelf, maar ook de ander beter kunt leren kennen. Daarnaast kan het een (tijdelijke) verandering in het bewustzijn van mensen veroorzaken. Wetenschappers uit Amerika en Rusland raakten zo gefascineerd door de effecten van de eerder genoemde performance van Marina Abramovic ‘The Artist is Present’, dat ze een onderzoek startten naar de vertoning van patronen van hersengolven bij wederzijds staren. Zij ontdekten dat de hersengolven door langdurig oogcontact synchroon gingen lopen en identieke patronen vertoonden. De breinactiviteit van vreemden die elkaar aankijken gaat dus inderdaad, net als bij baby’s en hun ouders, synchroon lopen. Het effect van deze synchronisatie is een gevoel van harmonie.

Een deelnemer vertelt:

“Een paar weken na het Gesprek zonder woorden kwam ik een andere deelnemer tegen in de supermarkt. We wisten niets van elkaar, niet eens elkaars namen. We vonden het fijn elkaar weer te zien en we omhelsden elkaar midden in de supermarkt.”

Door oogcontact en emotie-imitatie, krijg je het gevoel dat de ander je begrijpt, naar je luistert en meeleeft. Met name bij mensen die op hetzelfde moment hetzelfde meemaken, bijvoorbeeld door mee te doen aan het Gesprek zonder woorden, kan emotie-imitatie tot dezelfde emotionele ervaringen leiden waardoor collectieve emoties worden gevormd en een groepsgevoel ontstaat. Dat verklaart voor mij waarom mensen die voor deelname aan het Gesprek zonder woorden  wildvreemden voor elkaar zijn, na het gesprek bij mij terugkomen alsof ze elkaar in korte tijd goed hebben leren kennen. Door het oogcontact dat ze met anderen hebben gehad, kan het zijn dat ze de emoties van anderen voelden en door de ogen van de ander gedwongen werden naar zichzelf te kijken, waardoor ze een verscheidenheid aan reacties, emoties en gevoelens ervoeren. Hiermee is een Gesprek zonder woorden een gesprek waarbij niet wordt gesproken, maar veel wordt gedeeld.

Bronnen:
Abramovic, M. en Kaplan, J. (2016) Walk through Walls een memoir, Nijgh & Ditmar Amsterdam.
Akechi, H. et. al. (2013) Attention to eye contact in the West and East: Automatic responses and Evaluative Rating, Plos One, Volume 8, Issue 3.
Atsushi, S. et. al. (2008) The eye contact effect: mechanisms and development, Trends in Cognitive Sciences, Volume 13, Issue 3.
Bull, M. (2000) Sounding out the city, Personal stereos and the management of everyday life, Oxford International Publishers.
Caputo, G.B. (2015) Dissociation and hallucinations in dyads engaged through interpersonal gazing, Psychiatry Research, Volume 228, pp. 659-663.
Dezacanche, G. et. al. (2015) Emotional Contagion: its scope and limits, Trends in Cognitive Science, Volume 19, Issue 6, pp. 297-299.
Dimberg, U. et. al. Unconscious facial reactions to emotional facial expression, Psychological Science, Volume 11, Issue 1.
Emercy, N.J. (2002) The eyes have it: the neuroethology, function and evolution of social gaze, Neuroscience and Biobehavioral Reviews, Volume 24, pp 581-604.
Fischer, A. et. al. (2009) Het ontstaan van collectieve emoties via emotionele besmetting, Sociologie, jaargang 5 – 2009, pp. 165-179.
Gabbott, M. et. al. (2001) The Role of Non-verbal Communication in Service Encounters: A Conceptual Framework, Journal of Marketing Management, Volume 17, Issue 1-2, pp. 5-26
Gobel, M.S. et al. (2015) The dual function of social gaze, Cognition 136 – 2015, pp. 359-364.
Hatfield, E. et. al. (1994) Emotional Contagion, Cambridge University Press.
Leong, V. et al. (2017) Speaker gaze increase infant-adult connectivity, PNAS via: https://www.sciencedaily.com/releases/2017/11/171129104230.htm
Prochazkova, E. et. al (2017) Connecting minds and sharing emotions through mimicry: A neurocognitive model of emotional contagion, Neuroscience and Biobehavioral Reviews, Volume 80, pp. 99-114.
Rijnvis, D. (2017) De mythe van de romantische blik, Volkskrant, 11 februari 2017.
Sonnby-Borgström, M. (2002) Automatic mimicry reactions as related to differences in emotional empathy, Scandinavian Journal of Psychology, Volume 43, pp. 433-443.

My name is Marouf. I am a boy. I was born nine months ago in the Dutch town of Vlaardingen. In 2060 I will be an adult. I will be 43 years old. I will have a job and a home of my own. But first I have to grow. I will look and listen and learn and dream. I am a thing.

Het Agonistisch gesprek was net een yogaoefening. Eerst de spier kort aanspannen met ingehouden adem en daarna deze loslaten.

Cloud Nine

In zowat elke uithoek van Tivoli Vredenburg was wel iets te beleven. Een hele avond lang lieten de gespreksinnovators van Building Conversation, ontstaan uit een brainstormsessie van theatermaker Lotte van den Berg en kunstenaar Daan ’t Sas, ons kennismaken met nieuwe vormen van communicatie. Ze halen hun inspiratie uit niet-westerse culturen, zoals de Maori of de Zappatistas. Op die manier proberen ze ons opnieuw te leren luisteren en in gesprek te laten gaan. In hun ‘Parlement van de dingen’ vertegenwoordigde iedereen nu eens niet de mens, maar het water, een boot, een olieraffinaderij… Elk ding kreeg zo een stem. Hun ‘Agonistisch gesprek’ leerde ons dan weer op een nieuwe manier ruzie maken.

“Het Agonistisch gesprek was net een yogaoefening. Eerst de spier kort aanspannen met ingehouden adem en daarna deze loslaten, uitademen en de ontspanning ervaren. Het gesprek begon met ‘aanspannen’ in de vorm van een collectieve polarisatie, gevolgd door ‘ontspanning’ door een woordloze individuele toenadering en liggend samenkomen.
 
We verdeelden de groep door een kant te kiezen bij de stelling: ‘Een dominante nationale cultuur is beter dan culturele diversiteit’. Hierop volgde een ongenuanceerde gespreksvorm. De nadruk lag op ‘jullie’ en ‘wij’, en we bekogelden elkaar met opmerkingen als “Wij zijn tolerant, jullie zijn bang voor verandering”.
 
Na deze woordenstrijd werden de twee groepen opgelost, en ging het “gesprek” verder zonder woorden, met alleen oogcontact en fysieke toenadering zoals een hand op de schouder. Dit brak de spanning en creëerde een compleet andere sfeer, een veel fijnere sfeer eigenlijk.
 
Het gesprek eindigde op de grond. Liggend op onze rug gingen we over op een eerlijk en open gesprek, waarbij alle ongenuanceerde opmerkingen verdwenen en we ons konden uiten als individu. We evalueerden onze ervaring, bijvoorbeeld hoe veel beter dit laatste onderdeel voelde dan het eerste, en spraken daarna over alle dieper gelegen gevoelens. Het gesprek ging toen zowaar richting een soort oplossing; begrip voor elkaars standpunten hebben.”

Over het Agonistisch gesprek

Gespreksmarathon #amsterdam-noord 2017

In maart van 2017 kwamen we aan in Amsterdam Noord en organiseerden daar ons eerste gesprek op het Builkslotermeerplein. We kozen daar o.a. voor het Gesprek zonder woorden, geen gemakkelijke gespreksvorm.

“In het begin voelt het aan als ‘grof geschut’ in de categorie van non-verbale communicatiemiddelen, maar degenen die durven, staren hun onbekende kringgenoten ongegeneerd aan, secondenlang, soms ook minutenlang. Nieuwe lachuitbarstingen zijn het gevolg. Maar is het alleen maar grappig? Het lachen verraadt ook andere emoties dan alleen het pure plezier in het spel dat we spelen: twijfel, onmacht, stress, irritatie, onbegrip. Maar hoe kunnen we dan zwijgend het gesprek aangaan? Is er een soort tussenweg tussen iemand niet en wel aankijken?” – Deelnemer over het Gesprek zonder woorden.

In 2018 zetten we onze gespreksmarathon voort in Amsterdam Oost. Daar zullen we in april, juli en november vele gesprekken gaan voeren met buurtbewoners, buurtinitiatieven en lokale partners. Iedereen is hierbij welkom. Hou de agenda in de gaten of schrijf je in op onze nieuwsbrief.

Ons experimentele gesprek heeft geen leiding, geen voorzitter, geen taboes en geen onderwerp.

Samen denken – een experiment is een open gesprek zonder leiding, taboe of onderwerp, bedacht door de natuurkundige David Bohm (1917-1992). Bohm ontdekte dat er in de natuur, ook als er een complete chaos lijkt te heersen, een onzichtbare orde bestaat. Zo lijkt er ook een degelijk verband te bestaan tussen de geestelijke wereld en de materiële.

Hij hoopte onder andere dat de mensen uiteindelijk tot de erkenning zouden komen van de essentiële onderlinge verwantschap van alle dingen en zich zouden aaneensluiten om een meer holistische en harmonische wereld op te bouwen.

Experimenten met gesprekken zoals we nu gaan voeren, hebben aangetoond dat er buiten of dwars door de gesproken discussie, een zekere consensus ontstaat tussen de deelnemers. Dat in het ongeleide en zelfs chaotische gesprek toch, schijnbaar vanzelf, een structuur ontstaat. Ons experimentele gesprek, heeft geen leiding, geen voorzitter, geen taboes en geen onderwerp. Het is al even bezig als ik binnen kom. Iemand brengt een verhaal in over een schoolmeisje dat zich in het Louvre erover verwondert, dat er een heel dure veiligheidsinstallatie is gebouwd om het schilderij van de Mona Lisa te beschermen en dat er voor haarzelf zoiets niet bestaat. Het gebeurde kort na terroristische aanvallen in haar stad Parijs. De vraag rijst of het hierbij gaat om de waarde van een mensenleven of om een ding.
Een volgend vraagstuk is dat van een Amsterdamse vader die zijn kinderen elke dag naar school brengt over een smal voetpad, vlak langs een, even smal, druk fietspad. Op het fietspad ligt een verkeersdrempel waarvoor scooterberijders afremmen. Voor zijn kinderen remt er niemand af, en die kunnen zomaar ineens even, per ongeluk, het fietspad oplopen. Vader zweet peentjes.

Angst
Er volgen vele reacties, de een nog praktischer dan de ander. Er komen ook opmerkingen over de gevaren waar we in dit leven mee te maken hebben. Hoofdthema lijkt te worden: veiligheid. Overal om ons heen wil men beveiliging, wijzelf ook natuurlijk. Maar dat mag weer niet betekenen dat die ten koste gaat van de privacy. Wat we hebben moet beveiligd worden. Beschermd, tegen terrorisme, tegen diefstal, tegen scooters op het fietspad, kinderen op het trottoir. Er wordt opgemerkt dat we met teveel zijn. We hebben teveel gedachten tegelijk. We hebben het over een angstcultuur.

Of cultiveren we de angst. Sommige kranten en andere media, of politieke partijen leven ervan. Iemand merkt op dat het een kwestie van een ‘mindset’ is. Je kunt er aan meedoen, of denken dat je kunt vallen, maar vooral weer opstaan en doorgaan. Er wordt opgemerkt dat je een privéluik kunt gebruiken. Even alle stemmen, alle gedachten [van anderen?] uitsluiten, maar je wel verbonden voelen met de anderen. Er zijn enkele deelnemers die vinden dat praten een vlucht is voor intimiteit. Anderen denken het tegenovergestelde. “Samen denken is moeilijk”, zegt iemand, “want als ik even nadenk over iets dat gezegd werd, gaat het gesprek in de groep alweer over iets anders”. Er valt een lange stilte. Er waren er al een paar, maar deze neemt zijn tijd.

Dan zegt een deelnemer, dat praten over ‘Wij’ nogal aanmatigend is, want daarmee wordt “ik” inbegrepen, “en ik wil niet dat iemand anders voor mij spreekt”. Weer iemand anders voelt zich steeds kwetsbaarder in dit gesprek, de ander juist weerbaarder. Iemand mist een doel, of bedoeling. Er wordt gezocht. We denken niet allemaal voor of uit onszelf, denken is niet alleen een heel particuliere bezigheid, we denken vaak hetzelfde. De groep begint samen te denken denk ik dan.

De stiltes gaan langer duren. Gaan we ‘samen’ denken? Het is alsof we ons moeten inhouden, zo stil is en zit iedereen. Vliegen afvangen is er in ieder geval niet bij. Stil zijn blijkt spannend te zijn. De spanning wordt doorbroken doordat iedereen gaat bewegen. Staan, rekken, springen en sommigen rennen rond.

Er volgen nog wat overdenkingen. Over de vraag of het 12 jarige meisje ook over haar eigen waarde of over haar eigenwaarde dacht, [ach het zijn subtiele verschillen]. En zouden we er dan anders over praten. Als je met elkaar praat, kun je je spiegelen aan de ander. Spiegelen omdat je in de ander jezelf ziet, of omdat we niet veel van elkaar verschillen, of in bepaalde overeenkomende situaties eender denken, of samen denken? De wekker gaat en kondigt het einde van het gesprek aan. Het word niet meer stil….

Stadsklas Hoog Catharijne Utrecht, 2016

Munchen, 2015

Het Agonistisch gesprek was voor mij enorm confronterend. We spraken over vrouwenquota. Moesten die opgelegd worden door de overheid of moesten instanties zich daar niet mee bemoeien, zodat zoiets zich organisch en op basis van individuele vrijheid kan ontwikkelen? De meerderheid koos direct voor het laatste.

Ik heb al eens deelgenomen aan het Gesprek zonder woorden. Dat vond ik fantastisch, omdat het heel goed aansluit bij mijn verlangen om naar de mensen om mij heen te mogen kijken, om contact te maken zonder woorden. Maar ook om naar mijzelf te kijken. Wil ik pauze nemen? Wil ik het gesprek op dit punt onderbreken? En wat gebeurt er met mij als ik de volledige vrijheid voel om mij gedurende het gesprek op zo’n keuze te focussen. Als ik mij even niet verantwoordelijk voel voor mijn gesprekspartner, of voor de groep. Blijkbaar voel ik die vrijheid zonder woorden meer dan met.

Toen ik werd uitgenodigd voor de sessies in het Utrechtse stadskantoor twijfelde ik dan ook niet: ik wilde opnieuw het gesprek zonder woorden doen.

Dat is de ene kant. Aan de andere kant is er mijn nieuwsgierigheid naar dat wat ik nog niet weet. Dat wat ik nog niet eerder deed of voelde. Ik ben schrijver en ik houd ervan te verdiepen. Te onderzoeken en de tijd te nemen om mij te verhouden tot iets nieuws. Ik houd ervan met zorg te formuleren en een nachtje te kunnen slapen, even te kunnen kauwen, alvorens ik een standpunt inneem. Me ergens over uitspreek, ergens iets van vind.

Daarom was het Agonistisch gesprek voor mij enorm confronterend. We spraken over vrouwenquota. Moesten die opgelegd worden door de overheid, of moesten instanties zich daar niet mee bemoeien, zodat zoiets zich organisch en op basis van individuele vrijheid kan ontwikkelen?

De meerderheid koos direct voor het laatste. Een van mijn beste vrienden is altijd overtuigd tegen dit soort dingen en hij kan dat ook altijd goed uitleggen. Ik weet het niet, intuïtief voel ik ook wel iets voor voor. Dus ik besluit bij de minderheid van de groep te blijven. Ik wil in mijzelf onderzoeken of ik in staat ben er overtuigend voor te gaan staan.

In razend tempo worden wij, aan onze kant, de onderdrukker. Lotte, aan de overkant, is fel. Emotioneel. Jullie begrijpen ons niet, zegt zij, en alle anderen aan haar kant. In vele verschillende bewoordingen. Ik vind ze ongeloofwaardig en agressief en daarvan schrik ik. Ik zoek, een beetje uit het veld geslagen, naar rationele argumenten. Maar dit maakt de verwijdering alleen maar groter. “Jullie hebben argumenten,” zegt Lotte, “wij hebben gevoel.”

Als ik in het tweede deel wil naderen, wijkt ze achteruit. “Oh nee,” zegt ze. “Nee. Echt niet.”

De rest van het gesprek voeren we liggend. Ik kijk daar naar uit, want vaak ontspan ik dan pas, als ik lig. Ik denk, als het zover is, als ik eenmaal lig, dan zal ik durven de tijd te nemen. Bij mijzelf te blijven. Te luisteren. Een menselijk gesprek te voeren. Maar ik ontspan niet. Misschien was het mijn dag, mijn week. Mijn hoofd, dat vol is. Misschien is het mijn schrik, van hoe we begonnen zijn, die maar niet wegebt. Of is het toch het onderwerp en de haast die ik voel om het te omsingelen, om er één ding van te vinden, er één standpunt over in te nemen. Om het te begrijpen.

En dan stopt het. We zijn klaar. Omdat het heel wat voeten in de aarde had om de ruimte waarin we gesproken hebben leeg te krijgen, wordt ons gevraagd of we even willen helpen, wat tafels en stoelen van de gang te halen. De ruimte terug te brengen in de staat waarin hij voor onze aanwezigheid was. We storten ons erop, zo enthousiast, dat ik er haast iets achter wil zoeken. Heeft het iets te maken met onze behoefte aan gezamenlijkheid? Is onze ontmoeting nog niet af?

Als we van de zevende naar beneden wandelen spreken we elkaar nog eens over het begin van ons gesprek. Het deel waarin we onze tegenstellingen hebben uitvergroot. Het blijkt dat beide kanten zich onbegrepen hebben gevoeld. Onbegrepen en ongehoord. Het is spannend om eens te ervaren hoe razendsnel dat ontstaat.

“Wij begrijpen niet waarom jullie ons uitlachen…” Die woorden. Waarin ik mij betrapt voel. Bespiegeld en bekeken. Ze kwamen pijlsnel, maar echoën nog lang na.

Gespreksbegeleider Floor van Leeuwen tijdens Building Conversation in Kortrijk

Er zijn geen woorden nodig om mensen te leren kennen en om ze aardig te vinden, lichaamstaal is genoeg.

Emmy Muller woont in Amsterdam Noord, is van origine Amerikaanse en heeft twee keer mee gedaan aan het Gesprek zonder woorden. “Ik zag jullie staan op het Buikslotermeerplein. Ik reed langs met mijn scootmobiel en zei: ‘Hallo, wat doen jullie hier?’
Het was op 4 mei, ik kwam net terug van de herdenking. Andreas vroeg of ik mee wilde doen en ik dacht: ‘Wat let me?’ Ik hou van nieuwe dingen.”

“Ik kreeg pijn in mijn kaken van het glimlachen. Tijdens de eerste 20 minuten van het gesprek wist ik geen ander gezicht te trekken dan een lachend gezicht. Het werd een soort grimas. Een masker waarmee ik mensen wilde laten zien dat ik het goed bedoelde, dat ik open stond voor dit gesprek.”

“Ik heb het uiteindelijk over me heen laten komen. Een deelnemer zat in elkaar gedoken, zij durfde zich niet open te stellen en kon niet ontspannen. ik heb haar mijn hand aangeboden en naar haar geknikt. Ik kon haar zo geruststellen. Terwijl ik zelf ook helemaal niet zo zeker was. Een open hand aanbieden is een goede manier om te laten weten dat iemand welkom is. Als je de hand wilt, kun je ‘m pakken, het is hier veilig.“

“In het tweede gesprek kwamen er herinneringen in mij naar boven. Hele nare herinneringen. Ik moest ontzettend huilen en ben naar buiten gelopen. Ik moest even bijkomen en mezelf herpakken. Je hoofd kan vreemde wegen inslaan als je stil bent en mensen alleen maar aankijkt. Herinneringen komen boven of je dit nou leuk vindt of niet. Ik kon in mijzelf en anderen naar binnen kijken, heel diep. Ik zag ook diepgeworteld verdriet bij een van de deelnemers. Dat was heftig. Ik heb er na afloop niet over gesproken, ik dacht dit is te erg. Maar misschien zag ik het verkeerd. Ik weet het niet.”

“Er werden glazen water gevuld, er werd geproost, deelnemers deden dit om het ijs te breken, of omdat ze zich geen houding aan wisten te nemen. Het is moeilijk en awkward met onbekenden in een ruimte te zijn en niet te spreken. Maar het is een goede oefening. Je leert de tijd te nemen om iemand te leren kennen. We oordelen veel te vaak op het eerste gezicht, dat is jammer, mensen verdienen een tweede blik of een derde.”

“Ik heb bij beide gesprekken hele goede begeleiding gehad. Er was veel uitleg en begrip. Rust en ruimte om te proberen, te wennen, te oefenen. Ik voelde me veilig. Zoals ik al zei moest ik erg huilen bij het tweede gesprek. Daar werd zeer fijn op gereageerd. Ik huil om spanning los te laten, ik wilde niet praten of getroost worden, en dat werd geaccepteerd. Toen ik uitgehuild was, ben ik weer terug het gesprek in gegaan. Dat kon gewoon. En dat was fijn.”

“Na afloop had ik het gevoel 20 nieuwe vrienden te hebben. Er zijn geen woorden nodig om mensen te leren kennen en om ze aardig te vinden, lichaamstaal is genoeg. Wat ik geleerd heb van dit gesprek is dat ik het kan. Ik was trots op mezelf en vond het leuk en moeilijk tegelijk. Uitdagend was het zeker.“

“Er wordt zoveel geschreeuwd vandaag de dag, we zouden niet moeten schreeuwen, maar met elkaar moeten praten. Door al dat geschreeuw kunnen we niemand meer verstaan. Trump is daar een heel goed voobeeld van, wat een afschuwelijk voorbeeld is hij. Ik denk dat steeds meer gewone mensen behoefte hebben aan een gewoon gesprek. Op een vriendelijke toon, een ander geluid. Of misschien is er behoefte aan een gesprek zonder woorden?”

Ik heb een draaikolk in mijn hoofd van een voortrazend gesprek in steeds nauwere cirkels van terugkerende woorden. Af en toe floept er een vis uit de draaikolk om vervolgens weer opgeslokt te worden door het draaiende water van de conversatie.

Grenzen sluiten is vrede

20 jongeren van 14 jaar oud staan in 2 groepen tegenover elkaar. De ene groep scandeert, ‘grenzen sluiten, grenzen sluiten.’ De andere groep spreekt voorzichtige woorden over vrede. Patstelling.

We werken met Building Conversation op een VMBO in Purmerend. Met de jongeren zijn we vanuit de school naar het plaatselijke theater gelopen. Ook de leraar van de klas, Pepijn, is erbij. Hij neemt samen met Daan, met wie ik ben gekomen, deel aan het gesprek. Ik leid het gesprek. In een lege theaterzaal, een blackbox zonder tribune, voeren we met hen de waarden waterval¹ uit. Een gesprek waarbij je eerst in duo’s dan in 4-tallen, 8-tallen etc. spreekt. Steeds opnieuw verdubbelen de kleinere groepen zich tot je in twee groepen tegenover elkaar staat en het voltallige gezelschap met elkaar in gesprek is. Wanneer twee groepen zich samenvoegen moeten ze het eens worden over de 5 waarden die ze delen. We zijn aangekomen bij de laatste stap. Het gesprek wordt gevoerd terwijl we bewegen in de ruimte. Als je het eens bent met iemand nader je diegene, wanneer je het oneens bent neem je afstand. Het gesprek is te lezen als een spontane choreografie.

Over de eerste vier waarden is de klas het snel eens: familie, communicatie, voeding en vrijheid. Beide groepen hebben op de vijfde plaats grenzen sluiten staan, omgeven door vraagtekens, uitroeptekens en woorden als prikkeldraad, vrede en hekken sluiten. Het is duidelijk dat ze er nog niet uit zijn. Een lange dunne jongen heft zijn armen boven zijn hoofd en maakt kruisen in de lucht, middelvinger en wijsvinger van beide handen op elkaar slaand. #Grenzen sluiten. Anderen volgen zijn voorbeeld. Prikkeldraad, prikkeldraad wordt er geroepen. Tegenover hen vormt zich een groep meisjes die zich hebben uitgesproken voor vrede. ‘Als er vrede is, heb je geen grenzen nodig.’ ‘Dat is precies wat ik bedoel’, zegt de lange dunne jongen. ‘Grenzen sluiten is vrede’. De enige Nederlands-Marokkaanse jongen uit de klas, neemt als laatste positie in. Hij gaat niet zoals iedereen verwacht bij zijn goede vriendin staan, een groot Antiliaans meisje dat zich hard maakt voor minder buitenlanders in de stad. Hij voegt zich bij de groep voorzichtige meisjes. Ze kijken elkaar aan. Dit is menens. Dat voelt iedereen. Ook Daan en Pepijn hebben zich bij de groep meisjes gevoegd. Patstelling. Er is geen beweging in te krijgen.

Een jongen uit de groep die de grenzen verdedigt probeert het standpunt te nuanceren. ’Grenzen zijn er ook om jezelf te beschermen. Je kan zeggen, nu ga je te ver. Nu ga je over mijn grens. Dat is belangrijk.’ De groep die voor de vrede staat is het hiermee eens, maar er is niets in hen dat nog durft te bewegen. Overlopen naar de andere kant is te gevaarlijk. Dan is het Pepijn die de situatie openbreekt. ‘Ik ga op een andere plek staan.’ Hij maakt zich los van de groep en neemt de derde positie in, alleen. ‘Volgens mij gaat het over veiligheid. Veiligheid is belangrijk. Voor mij. Voor jullie. Voor iedereen. Ik geef om jullie. Ik geef ook om andere kinderen, om andere jongeren, net als jullie. Als ik de beelden op het journaal zie van mensen en kinderen in de modder achter prikkeldraad dan krimp ik ineen. Ik kan daar niet naar kijken.’  Hij omschrijft zorgvuldig wat hij zag. Kinderen, tot hun enkels in de modder. Schrammen op hun gezichten. Een plastic zak tegen de regen. Terwijl hij de klas toespreekt komen er tranen op in zijn ogen. Hij verbergt ze niet en spreekt verder. Iedereen is stil gevallen. Langzaam, 1 voor 1, gaan ze achter hem staan. Een kleine blonde jongen is de laatste die naar hem toe loopt. Stap voor stap loopt hij richting de grote groep klasgenoten die nu bijeen staan. ‘Twijfel je?’, vraag ik. ‘Nee. Gewoon. Ik loop een beetje langzaam.’ Als iedereen bijeen staat maakt de lange dunne jongen zich los van de groep. Hij gaat tegenover hen staan en slaat kruizen boven zijn hoofd. ‘Ik wil nog 1 ding zeggen. Minder mensen. Gewoon. Minder mensen.’ Dan valt hij stil. Met zijn lange armen nu naast zijn lichaam kijkt hij iedereen aan. ‘Ik kom toch maar weer bij jullie staan,’ zegt hij schuchter en voegt zich bij hen. Veiligheid.

Theater is een podium voor conflict. Als theatermaker en ook als mens bent ik gewend om naar het pijnpunt toe te bewegen. Ik ben erop gericht het conflict bloot te leggen, het zichtbaar te maken, opdat ik het samen met anderen kan aanschouwen. Het doel is niet de strijd weg te nemen, het op te lossen. Observatie alleen is het doel. Aandachtige observatie. Ook het gesprek zou een podium voor conflict moeten zijn, kunnen zijn. Een plek waar je in gezamenlijkheid de onderlinge schurende en bijtende verschillen beziet, verduurt, beleeft.

Een aantal momenten uit het gesprek met de jongeren zijn me dierbaar. Een volwassen man te midden van een groep pubers, huilend, open en bloot. De kleine jongen die tergend langzaam naar de groep loopt. En natuurlijk de lange jongen, in z’n eentje voor zijn klasgenoten. Zijn armen in de lucht. Een kruis slaand, bravoure. Dan zijn armen langs zijn lijf. Vertwijfeling. Beelden die alleen gezien zijn door de deelnemers zelf. 3 Volwassenen, 20 jongeren. Allemaal zagen we het anders, zagen we iets anders. Maar allemaal hebben we het gezien, van binnenuit. Met eerder werk bracht ik kaders aan in de publieke ruimte van de stad, om haar en de mensen die zich in haar rond bewogen anders te kunnen bekijken. Nu met Building Conversation bieden we een kader aan, de tijd-ruimte waarin het gesprek zich afspeelt, waarbinnen de interactie tussen mensen plaatsvindt èn zichtbaar wordt. De gespreksvormen zijn als lege ruimtes waarin het niet gevoerde gesprek zou kunnen plaatsvinden. Doen en reflectie schuiven over elkaar heen. De deelnemer is zijn eigen toeschouwer geworden. De kunsten onze oefenruimte, de plek waar we onszelf oefenen ten opzichte van anderen.

¹ De waarden waterval is ontwikkeld door Humberto Schwab, een voormalige filosofieleraar die zo teleurgesteld was in het middelbaar onderwijs dat hij voorgoed stopte met lesgeven en nu in Spanje woont, waar hij de Socratic Design methode ontwikkelt en doorgeeft. 

Ik realiseerde me opnieuw hoe bottom-up processen werken.

Ik realiseerde me opnieuw hoe bottom-up processen werken. En hoe veel tijd die vergen. Maar ook hoe mooi dat kan zijn.

Enkele observaties over het gesprek zonder woorden

Laura Karreman nam deel aan het Gesprek zonder woorden. Ze stuurde ons haar gedachten en observaties toe. Graag delen we haar woorden met jou.
Het eerste kwartier gaat giechelend, proestend en soms schaterlachend voorbij. In de stiltes daartussen zit iedereen elkaar verbouwereerd aan te staren en probeert te bedenken wat het betekent dat we dit blijkbaar echt gaan doen: samen twee uur zwijgen en dat een gesprek noemen. Ik ga met mijn blik de kring rond en in mijn hoofd geef ik namen aan de zeven vrouwen en negen mannen om me heen. Céline. Timo. Karel. Maartje. Bram. Eva. Erik. Mathilde. Enzovoort. Ik verbaas mezelf in eerste instantie over deze impuls, maar concludeer dan dat ik het als een uitdaging beschouw om deze bijeenkomst als een echt gesprek te zien. En daar hoort voor mijn gevoel als eerste bij dat je je aan elkaar voorstelt. Zodat je elkaar al een beetje kunt benoemen.

Het Gesprek zonder Woorden voelt meer aan als een spel dan als theater. Het lijkt in eerste instantie misschien een ongevaarlijke of onschuldige onderneming, met al deze vriendelijke, welwillende mensen, maar dat is maar schijn. Dit is een subversief spel. De deelnemers nemen bewust afstand van spreken, die gebruikelijke geluidslaag die onze contacten in het dagelijks leven stuurt en in heldere banen leidt, ook al worden daarmee sommige intensiteiten tussen mensen misschien wel afgezwakt. Praten is tenslotte wel zo praktisch. Als je niet praat moet je het met elkaar doen zonder die laag. Wat heeft dat voor gevolgen?

In het begin heeft ons gesprek wel wat weg van speeddaten. Elkaar zo ongegeneerd in de ogen staren – dat doe je tenslotte alleen met mensen waar je iets van ‘wil’. Er spreekt een brutale interesse uit, een interesse die verre van neutraal is. Ik moet denken aan een documentaire over een Amerikaanse jongen op death row die in de loop van het gesprek met de Nederlandse journaliste zijn excuses aan haar aanbiedt: hij is zo overweldigd dat zij hem voortdurend in de ogen kijkt terwijl ze met hem praat, dat hij moeilijk uit zijn woorden kan komen. Hij legt uit dat hij het heeft afgeleerd om mensen in de ogen te kijken. Op death row is het een onuitgesproken gedragscode dat je elkaars blik mijdt. Elk oogcontact wordt als een regelrechte daad van agressie gezien.

Als ik steeds meer doordrongen raak van de situatie waarin we ons bevinden dringt de hoofdvraag zich meer en meer op: Wij zitten hier met het idee een gesprek met elkaar aan te gaan, maar hoe pakken we dat aan zonder woorden? Nu we onze spraak niet kunnen gebruiken moeten we op verkenningstocht naar wat voor vocabulaire we nog meer in ons lijf hebben zitten. Het levert een bijna puberale situatie op. We zijn net een stelletje middelbare scholieren die op een introductieweekend zwijgend naar een kampvuur zitten te staren. Het is duidelijk dat we als groep op elkaar zijn aangewezen, maar alles is vreemd en nieuw. Ik bedenk me dat die associatie met de middelbare school misschien ook te maken heeft met de ongemakkelijkheid van het verkennen van de grenzen van je eigen lichaam en jouw relatie tot de ander terwijl je eigen lichaam nog volop in transformatie is. Zoals Nick Cave het verwoordt in de film 20.000 Days on Earth: de herinneringen aan je jeugd zijn zo vormend omdat op dat moment de radertjes van je hart nog volop in wording zijn. Door ons als volwassenen de taal af te nemen, dat instrument waarmee we zo slim en snel ons een eigen identiteit weten aan te meten tijdens nieuwe ontmoetingen, worden we ineens teruggeworpen in een hyperfysieke belevingswereld. Het voelt onwennig om in deze situatie ineens radicaal te moeten vertrouwen op de zeggingskracht van onze zwijgende lichamen.

Het niet-spreken roept associaties op die nog verder teruggaan: naar de kring in de kleuterklas. De plek waar we de eerste stappen zetten in het leren spreken en het leren luisteren naar elkaar. Hoe vaak moest de juf ons eraan herinneren dat we de ander uit moesten laten praten voor we zelf iets zeiden? Hoe oud zijn we als we ‘met twee woorden’ leren spreken? Converseren is een discipline die ons vroeg wordt aangeleerd. Allerlei beleefdheidsvormen vinden traditioneel hun weg in ons taalgebruik. En nu, in deze stille kring in het atelier van een anonieme beeldend kunstenaar, ergens in de Jordaan, waar er alleen het gezoem is van de tl-lampen boven ons, keren we terug naar een onbeholpen staat, waarin we juist geen gebruik kunnen maken van onze door en door geciviliseerde taalvaardigheid.

In het begin voelt het aan als ‘grof geschut’ in de categorie van non-verbale communicatiemiddelen, maar degenen die durven staren hun onbekende kringgenoten ongegeneerd aan, secondenlang, soms ook minutenlang. Ook al zijn wij geen gevangenen op death row, ook voor ons is het moeilijk om dat niet als een agressieve overschrijding van je comfort zone te ervaren. Nieuwe lachuitbarstingen zijn het gevolg. De situatie is dan ook grappig, om niet te zeggen hilarisch. Maar is het alleen maar grappig? Het lachen verraadt ook andere emoties dan alleen het pure plezier in het spel dat we spelen: twijfel, onmacht, stress, irritatie, onbegrip. Maar hoe kunnen we dan zwijgend het gesprek aangaan? Is er een soort tussenweg tussen iemand niet en wel aankijken? Saai is dit proces in ieder geval allerminst. Er is eerder sprake van een overload aan indrukken. Het lijkt sommigen soms teveel te worden. De jongen die ik Bram genoemd heb zie ik regelmatig zijn ogen sluiten en zijn handen in de schoot leggen. Anderen volgen af en toe zijn voorbeeld. Maar als ik zelf mijn ogen sluit voelt het niet echt aan als rust. Ik voel me zo mogelijk nog meer bekeken en doe mijn ogen gauw weer open. Iedereen zit er nog. Het was geen vreemde droom.

Zwijgen, realiseer ik me in de loop van onze non-verbale conversatie, is wel een zeer democratisch uitgangspunt voor een gesprek, of in ieder geval zeer anti-hiërarchisch. In een Gesprek met Woorden is het meestal toch zo dat degene die aan het woord is een duidelijke leiding heeft en een verhoogde verantwoordelijkheid voelt voor het verdere verloop van het gesprek. Maar hoe zit dat in een Gesprek zonder Woorden? Er is geen duidelijke leiding. Niemand voert hier het ‘hoogste woord’. Iedereen draagt een zekere verantwoordelijkheid voor onze uitwisseling. Wat die verantwoordelijkheid precies is, daar proberen we achter te komen. Na verloop van tijd dringen er zich steeds nieuwe perspectieven op over wat het zwijgend zitten in de kring precies oproept. Soms heb ik het gevoel dat ik ook vaak heb in een vergadering met een grote groep. Er is een bepaalde aandacht voor elkaar, maar niet iedereen is steeds even betrokken in het gesprek. Soms rekt iemand zich uit, gaat verzitten. Iemand schenkt een glaasje water in. Mensen hebben aandacht voor anderen, maar willen ook hun eigen punt maken. Soms maakt iemand een grap (stoeltje verwisselen!). Alleen is in deze vergadering dus niemand aan het woord. Ik vraag me af of ik nu andere dingen over deze mensen te weten kom dan wanneer ik naar hun reacties op een serie agendapunten geluisterd had.

Als de grootste lachuitbarstingen voorbij gedreven zijn ga ik steeds langere ‘dialogen’ aan met mensen. Die dialogen beginnen door blikken die in elkaar blijven haken. De vraag wat het precies zou kunnen betekenen om in deze situatie een gesprek aan te gaan blijft steeds door mijn hoofd spoken en ik ga die vraag steeds meer zien als het uitgangspunt voor een experiment. Ik probeer me open te stellen voor de indruk die de mensen om mij heen op me maken, door hun gezichten, hun lichamen, hun uitdrukkingen, hun houdingen. Terwijl mijn blik aan de blik van ‘Maartje’ blijft hangen zie ik haar lichtbruine ogen die glanzen van pret, omlijst door wimpers die de hemel willen aanraken. Ik zie hoe ze selfies maakt met haar vriendje in de zon op het strand. De puppy die ze uit het asiel gehaald heeft danst om hun voeten. Na de middelbare school ging ze op een Zuid-Amerika reis met haar beste vriendin. Nu woont ze alweer jaren in Amsterdam, op een kleine kamer, maar in die kleine kamer denkt ze grootse gedachtes en verwezenlijkt ze de eerste stappen van de bijbehorende grootse plannen. Maartje knippert met haar ogen en even ontbloot ze haar tanden in een glimlach.

Dan blijven mijn ogen rusten op ‘Erik’. In zijn blik ligt een zekere berusting die heel wat levenservaring verraadt. Ik zie hoe hij ’s ochtends in zijn keuken staat en tegen het marmeren blad van het aanrecht leunt, wachtend op het koffiezetapparaat. Hij kijkt door het raam naar de tuin, waarin de herfstbladeren langzaam het groene gazon bedekken onder een dreigende lucht. Het doet er niet toe, van een aangeharkte tuin houdt hij niet. Zoals hij elke dag scheren ook niet nodig vindt. Een mens heeft wel wat beters te doen. In mijn gedachten gaan er boeken door zijn handen en fietst hij door de regen – in godsnaam dan maar weer – langs de grachten.

Dan buigt Eriks hoofd wat naar links en mijn hoofd buigt ongemerkt mee. Het is moeilijk te zeggen wat er precies gebeurt in zijn gezicht, maar met een minieme verschuiving van spierspanning verandert zijn uitdrukking van licht-geamuseerd naar peinzend-serieus. Hoewel ik hem zo voor me kan zien met een emmertje en schepje, de tijden van onschuldige jongensachtigheid zijn lang vervlogen. De man hier voor mij heeft ook niet weten te ontsnappen aan het lijden van het leven, zoveel is mij duidelijk. De vragen dienen zich vanzelf aan. Vertel me dan eens, hoe zat dat dan precies, met de scheiding van je ouders? Sloten je handen zich over je oren om hun ruzies niet te horen? Of was het een zwijgende strijd en was je pa ineens weg, terwijl jij je daarna vooral zelf heel schuldig voelde omdat je helemaal niets door had gehad en je die middag dat je moeder vertelde van zijn vertrek net zo blij was geweest met die nieuwe crossfiets die je had gekregen voor je zevende verjaardag en waar al je vriendjes in de buurt jaloers op waren? Of wil je me iets vertellen over wat er later gebeurde? Toen je beste vriend op de middelbare school wat kreeg met dat meisje in jullie klas waar jij al jaren heimelijk op verliefd was? En dat er toen een schoolfeest was en ze aan het schuifelen waren en dat ze jou toen ineens aankeek – over zijn schouder – met een blik die er niet om loog? Dat er in haar blik zoveel besloten lag dat je het gevoel had dat je daar minstens een jaar op zou kunnen teren? En dat je haar twintig jaar later op een woensdagmiddag in maart tegenkwam in de Albert Heijn op de Elandsgracht – Elza! Mijn god, Elza! – en ze aan een buggy sjorde en dat het leven het leven was maar dat je toch aan haar kon zien dat zij het nog wist en ook dat zij wist dat jij het nog wist, maar dat jullie alleen wat platitudes uitwisselden over het feit dat het toch grappig was dat jullie uiteindelijk allebei in Amsterdam beland waren en ook nog in de Jordaan, ja, ook nog allebei in de Jordaan?

De blik van de man aan de andere kant van de kring die ik Erik genoemd heb is stiller geworden. Plotseling steekt hij zijn kin lichtjes vooruit en vouwt zijn armen. Een snelle glimlach trekt als een knipoog over zijn gezicht. Is het zover? Wil je ook wat over mij weten? Als je echt wat over mij wilt weten dan zou ik je vertellen dat ik graag wegliep toen ik nog niet zo lang kon lopen, omdat ik benieuwd was naar wat er om de hoek van de straat gebeurde. En ik zou je laten zien hoe ik tien jaar later op de rand van het bed van mijn eerste vriendje zat en dat het twee uur duurde voordat we elkaar durfden te zoenen. Daarna zou ik je meenemen naar de zandduinen in Death Valley, vroeg op een ochtend in januari als de zon lange schaduwen over de duintoppen werpt. Voel je hoe de kou verborgen blijft in de windstille, droge lucht en hoe de zoutkristallen van de Devil’s golf course kraken onder onze voeten? Aangenaam, Erik. Ook ik heb mijn hart gebroken, meerdere malen – wie niet? – en nu is dat hart een aan elkaar gelijmde zooi. Maar ben je het niet met me eens dat daarin een heel eigen schoonheid schuilt? Tegenwoordig fiets ik langs de grachten die jij ook zo goed kent – weer of geen weer – en onze paden moeten elkaar daar meer dan eens gekruist hebben, zij het ongezien. Erik glimlacht. Knikt hij begrijpend of is het mijn verbeelding? Hebben wij dit gesprek echt gevoerd? Ik wend mijn hoofd af in verwarring.

Tot slot werp ik een zijdelingse blik op ‘Céline’, de jonge vrouw die naast me zit. Haar ogen zijn gericht op iemand anders en lopen opeens vol. Even later zie ik de tranen op haar wangen. Ik kan haar niet vragen wat er is, al ziet ze wel dat ik haar zie. Het voelt ongepast om haar aan te raken en in plaats daarvan kijk ik naar mijn handen in mijn schoot. Door mijn wimpers kijk ik om me heen en in één snelle blik zie ik dat iedereen de tranen opgemerkt heeft en op dezelfde manier reageert. Céline heeft onze aandacht. Ze spreekt tot ons. Toch hebben we moeite haar te verstaan.

Het (On)mogelijke gesprek in Amsterdam Noord

Vanaf de ontmoetingsplek bij Huis van de Wijk De Meeuw liepen we langs de IJ-oevers naar Yogaschool Noord voor het (On)mogelijke gesprek over God.

Gesprek zonder woorden – Jordi Wijnalda